Categorieën
Gezondheid

Verschil virus en bacterie

Een virus of bacterie kan je ziek maken, dat is één ding wat zeker is. Ze komen beide bijna overal voor en veel bacteriën en virussen bestonden al voordat de mens op aarde was. Dat zijn eigenlijk wel de enige overeenkomsten. Want dat een bacterie of virus niet met blote oog te zien klinkt misschien als een overeenkomst, maar als je er een microscoop bij pakt dan zie je direct al een wereld van verschil.

De bacterie is een reus

De bacterie is wel honderd keer groter dan een virus, en dat is daarmee het meest in het oog springende verschil. Daarom heb je voor het bekijken van een virus ook een elektronenmicroscoop nodig. Bacteriën bekijk je het beste met een vaak gebruikte lichtmicroscoop, maar een virus pik je er met deze microscoop echt niet uit. In concrete grootte (micrometers) is dit 0,6 tot 5 micrometer voor bacteriën. Een deeltje van het coronavirus is 0,125 micrometer, een deeltje van het griepvirus is 0,120 micrometer.

De eenvoud van een virus

En heb je dan een bacterie en een virus onder je microscoop liggen dan is er een duidelijk verschil in opbouw en structuur te zien, de anatomie. Een bacterie bijvoorbeeld heeft een celwand en daarbinnen is ook een structuur te zien. Die structuur bestaat uit cytoplasma, ribosomen en nucleotiden.

Deze interne elementen zorgen er onder andere voor dat een bacterie zich kan voortbewegen en vermenigvuldigen.

De opbouw van een virus is veel eenvoudiger, negen van de tien keer bestaan ze uit genetisch materiaal in een jasje van eiwitten. Deze eiwitmantel wordt de capside genoemd.

Virus heeft een gastheer nodig

Bacteriën kunnen zich eenvoudig vermenigvuldigen, hun anatomie is daar heel geschikt voor. Een bacteriecel kopieert vlak voor de celdeling zijn genetische materiaal. Dan begint de bacterie zich te vernauwen in het midden en uiteindelijk wordt 1 bacterie 2 bacteriën. Moedercel splitst zich in twee dochtercellen. Daarna kan het hele proces weer opnieuw beginnen.

Virussen kunnen zich vermenigvuldigen zoals de bacterie dat doet. Een virus heeft namelijk geen cytoplasma en ribosomen. Twee essentiële onderdelen om respectievelijk genetisch materiaal te kunnen kopiëren of om een eigen jasje te produceren.

Virussen moeten zich dus op een andere manier verspreiden en dat doen ze door vreemde cellen aan te vallen. Ze dringen deze gastheren binnen en smokkelen zo hun genetische informatie naar binnen. Deze genetische informatie wordt zo geprogrammeerd dat het van daaruit veel meer virussen gaat produceren, deze nieuwe virussen verlaten daarna hun gastheer en gaan op zoek naar een nieuwe gastheer. Zo verspreidt het virus zich in een lichaam, totdat het een halt toegeroepen wordt.

Een bacterie leeft

Er bestaan veel verschillende soorten bacteriën en die hebben ieder hun eigen metabolisme (stofwisseling). Zo heeft de ene bacterie zuurstof nodig om in leven te blijven, de andere heeft licht nodig.

Wij als mensen hebben de aanvoer van bouwstoffen en afvoer van afvalstoffen nodig om in leven te blijven, net zoals de bacterie. Deze stofwisseling heeft een virus niet, en dat maakt dat ze niet tot levende wezens worden gerekend.

Hoe ze je ziek maken

Omdat een bacterie een eigen stofwisseling heeft die vaak totaal afwijkt van wat ons eigen systeem gewend kunnen juist de eigenschappen van deze stofwisseling voor ziektes zorgen. Bekende ziekmakende bacteriën zijn die van legionella, blauwalg of salmonella. We weten inmiddels al veel van deze vervelende bacteriën, en met enige oplettendheid is al veel ellende te voorkomen.

Een virus is veel robuuster, zij zijn in staat om cellen in ons lichaam kapot te maken tijdens hun vermenigvuldiging. Of misschien nog erger, onze eigen afweercellen maken die aangetaste cellen kapot. Wij hebben goedwerkende cellen nodig voor een goede gezondheid, worden onze cellen aangetast dan zal dit resulteren in ziekte en je lichaam even nodig hebben om deze cellen weer te repareren. Vandaar dat je bij een griepvirus zo goed van de kaart kan zijn en na het virus ook nog wel even nodig heeft om op krachten te komen.

Antibiotica in strijd tegen bacterie

Zodra je een ziekmakende bacterie in je lichaam hebt dan zal er antibiotica voorgeschreven worden. Antibiotica is in staat om de celwand van bacterie zo te aanvallen dat het kan leiden tot de dood van de bacterie of dat de vermenigvuldiging stopt. Gelukkig zijn de celwanden van onze eigen lichaamscellen heel anders opgebouwd dan die van een bacterie, antibiotica valt daarom geen goedaardige eigen cellen aan.

Antibiotica in strijd tegen de kwaadwillende bacteriën is niet helemaal zaligmakend overigens. Bacteriën zijn in staat om zich aan te passen aan een andere omgeving, dit betekent ook dat ze weerstand kunnen opbouwen tegen antibiotica. Een huisarts of ziekenhuis zal daarom altijd terughoudend zijn bij het voorschrijven van antibiotica en de mogelijkheden onderzoeken of het lichaam dit via een andere route zelf kan oplossen.

Wegens het gebrek aan celwand en eigen stofwisseling bij een virus heeft antibiotica hier absoluut geen grip op. Bij bijvoorbeeld een griep- of verkoudheidsvirus is het vaak een kwestie van uitzieken. Een medicijn als paracetamol kan de symptomen verlichten zodat het afweermechanisme van het lichaam meer de kans krijgt om in actie te komen en het virus te verdrijven.

Antivirale middelen

Uitzieken is bij een virus niet altijd de remedie, voor bepaalde virussen bestaan antivirale middelen. Deze geneesmiddelen worden gebruikt om de reproductie van het virus tegen te gaan of op zijn minst af te remmen.

Een antiviraal geneesmiddel voorkomt dat het virus bij een gastheer naar binnenkomt of ze verstoren de wederproductie van genetische informatie.

Vaccin tegen venijnige bacteriën en virussen

Bij sommige ziektes is het van essentieel belang dat er een vaccin voorkomt om de verspreiding er van te kunnen indammen. Een baanbrekend vaccin is bijvoorbeeld het polio-vaccin. Virussen blijven echter complex en dynamisch, zo is er nog steeds geen vaccin tegen HIV (Aids) of Hepatitis C gevonden.

Er bestaan vaccins voor bacteriën en virussen. Bij een vaccin worden afgezwakte of onschadelijke van ziekteverwekkers in het lichaam gespoten. Ons immuunsysteem herkent deze gevaarlijke vreemdelingen en begint met het aanmaken van antilichamen. Ons afweersysteem leert zo hoe om te gaan met deze ziekteverwerkers als ze weer ons lichaam proberen binnen te dringen. Dit betekent dat we immuun worden voor deze ziektes of in ieder geval er niet meer zo ziek van worden.

Vanwege de dynamiek van virussen is het erg lastig om het juiste vaccin hier voor te vinden. Kijk bijvoorbeeld naar het griepvaccin, deze moet elk jaar weer aangepast worden om het griepvirus ook continu muteert.