Categorieën
Techniek

Wat is het verschil tussen ISO, diafragma en sluitertijd

Met een normaal fototoestel hoef je vaak niet over de instellingen na te denken, een professioneel fototoestel zoals een spiegelreflexcamera wordt door fotografen vaak uitgezocht omdat er tal van instellingen en specificaties zijn die ze volledige controle geeft over het maken van een foto.

De drie belangrijkste instellingen voor een fotograaf zijn het diafragma, de ISO (lichtgevoeligheid) en de sluitertijd. Deze instellingen worden bij een gewone fotocamera door het toestel zelf geregeld (standje automatisch) zodat er altijd een redelijk tot goede foto uitrolt, bij een professionele spiegelreflexcamera zijn het goed instellen van het diafragma, ISO en sluitertijd essentieel voor het maken van de perfecte foto.

Exposure
Licht is een belangrijk onderdeel bij fotografie, de mate van licht wat een fototoestel binnenkomt bij het maken van een foto is wat het verschil maakt tussen een goede duidelijke foto en een vage donkere foto. De mate van lichtinval tijdens het maken van een foto wordt exposure genoemd, en deze exposure wordt geregeld door de instellingen voor het diafragma, de iso en sluitertijd.

In het kort zou je kunnen zeggen dat het diafragma bepaald hoeveel licht er het fototoestel binnenvalt. De sluitertijd bepaald hoe lang er licht de camera binnenkomt en met de ISO kan je bepalen hoe secuur de cameracensor op het licht moet reageren.

Een vaak gebruikte metafoor voor de exposure is het opvangen van regen in een emmer. Ook al weet je niet hoeveel het gaat regenen, er zijn drie factoren die je bij het opvangen zelf in de hand hebt. De grootte van de emmer (diafragma), de tijd dat je de emmer in de regen laat staan (sluitertijd) en de hoeveelheid regen wat je wilt opvangen (ISO).

Sluitertijd

De sluiter van een fotocamera bepaald hoelang de sensor licht te verwerken krijgt. Waar een snelle sluitertijd betekent dat de camera niet lang wordt blootgesteld aan het licht en andersom betekent een langzame sluitertijd dat de sensor langer aan het licht wordt blootgesteld (een langere exposure tijd).

De sluitertijd is van de drie belangrijkste camera instellingen de meest heldere. Wil je midden in de nacht een foto maken en dus zoveel mogelijk licht opvangen, dan heb je een hele langzame sluitertijd nodig, met als randvoorwaarde dat je het toestel zo stil mogelijk moet houden (met behulp van een statief) omdat het anders ten koste gaat van de scherpte.

Wil je foto’s maken bij een autorace en ervoor zorgen dat de auto’s die voorbij zoeven scherp op de foto komen te staan, dan moet de sluitertijd zo snel mogelijk. Een snelle sluitertijd bevriest het beeld bijna direct, om een scherp beeld te krijgen is genoeg licht een vereiste.

Tussen een heel langzame sluitertijd en snelle sluitertijd zitten nog vele tussenstappen. Zo zou je bijvoorbeeld met sluitertijd van een halve seconde het water van een rivier meer beweging kunnen geven, en creëer je met een sluitertijd van 1/30 seconde beweging op een foto, zoals van een fietser waar nog een schim achteraan komt. 1/50 tot 1/100 seconde sluitertijd is  vaak de standaard voor foto’s maken uit de hand, als je ook nog een wat wil gaan zoomen kan je beter werken met een sluitertijd van 1/250 tot 1/500 seconde.

Diafragma

Als je een donkere kamer binnenloopt zal je pupil wijder worden om zo nog zoveel mogelijk licht op te kunnen vangen, andersom zal een pupil kleiner worden als bijvoorbeeld naar buiten loopt waar de zon fel schijnt. Je pupil heeft dan een stuk minder licht nodig om goed te kunnen functioneren.

Het groter en kleiner worden van een pupil kan je vergelijken met het diafragma van een fototoestel. Diafragma wordt vooral gebruikt om scherpte diepte te creëren, dus bijvoorbeeld een object wat dichtbij staat en waar op scherpgesteld is met een vage achtergrond daarom heen. Hierbij geldt dat des te hoger het diafragma is des te minder licht er op de sensor valt en des te meer scherpte diepte er op zal treden. Bij een laag diafragma komt er meer licht op de sensor en zal de foto minder tot geen scherpte diepte kennen.

De huis-tuin-en-keuken fotocamera’s bepalen het diafragma aan de hand van hoe er wordt scherpgesteld door de fotograaf. Een professionele fotograaf zal het diafragma zelf willen instellen om de juiste scherpte diepte krijgen. Een onjuist gebruik van diafragma kan er voor zorgen dat belangrijke details onscherp blijven of dat er juist teveel details te zien zijn.

Het diafragma werkt stapsgewijs, voor elk stapje in diafragma omhoog moet je in principe de sluitertijd vergroten om nog steeds dezelfde lichtinval te krijgen.

Iso (lichtgevoeligheid)

De ISO bepaald hoe gevoelig de fotocamera is voor het licht wat naar binnenkomt. Bij voorkeur zal je altijd een zo laag mogelijke ISO willen hebben, dit geeft de scherpste foto’s. Zodra je de ISO gaat verhogen vergroot je de kans dat er ruis op de foto’s te zien is, dat is de prijs die je moet betalen als je wilt dat je fotocamera meer licht oppikt om zo bijvoorbeeld een foto in het schemer te verduidelijken.

Fototoestellen worden vaak getest op wanneer ruis ontstaat op welke ISO. Bij een ISO van 50 tot 200 zal over het algemeen geen ruis ontstaan, vanaf ISO 400 is de kans juist heel groot dat er ruis ontstaat en na ISO 800 zijn de foto’s voor een professioneel eigenlijk niet meer toonbaar.

De ISO instelling kan je het beste beschouwen als hulp voor de diafragma en sluitertijd instellingen en leent zich minder goed voor het experimentele aspect van de fotografie.